Verhalen uit ’t Huys: interview met Dorine Vleeshouwer

Verhalen uit ’t Huys: Interview met Dorine Vleeshouwer

‘Het voelt als een voorrecht om tussen zoveel moois te mogen werken.’

In het gastenboek van ’t Behouden Huys wordt vaak iets geschreven over het enthousiasme van het personeel. Dat is een mooie reden om de komende tijd met al die medewerkers van het museum in gesprek te gaan. Geen van allen staan ze graag in het middelpunt van de belangstelling, maar toch lukte het om Dorine Vleeshouwer te strikken voor de aftrap van deze serie. Als je opgroeit in Landsmeer, maar je allereerste stapjes op Terschelling zet, op je zevende in je dagboek schrijft dat je het liefst daar wonen wil en 10 jaar later bij het boeken van de boot per ongeluk een jaar op Terschelling boekt, dan is het misschien voorbestemd dat je hier komt wonen.

‘Je had dus al vroeg een band met het eiland?’

We gingen elke vakantie naar Terschelling. In de zomer kamperen in Hoorn, in de winter in een vakantiehuis in Midsland-Noord. Thuis hield ik van tekenen, lezen en nieuwe dingen maken, maar op Terschelling was ik een echt buitenkind. We trokken er hele dagen op uit, de natuur in. Op het wad, naar het strand, vogels kijken, vissen…

‘Ja, je houdt van vissen hè? Best bijzonder voor een vrouw toch?’

Vissen en vuurtjes maken, dat vind ik het allermooist. Nog steeds. Dat krijg je met twee oudere broers. En de zee verveelt nooit. Of ik nou sta te vissen of aan het schilderen ben, het is elke keer anders. Het licht, de golven, het is eigenlijk net als met vuur; je kunt erin blijven staren.

‘Hoe zat dat met dat bootkaartje?’

13 jaar geleden ging ik samen met mijn beste vriendin een weekendje naar het eiland. Toen we met de boot terug zouden gaan bleek ik per ongeluk wel de boot op die dag en tijd geboekt te hebben, maar dan een jaar later. En de boot zat vol, we konden niet mee. Gelukkig mochten we met iemand meevaren naar Harlingen en zo leerde we via via steeds meer eilanders kennen.
Op mijn 19e ben ik definitief naar Terschelling verhuisd. Ik begon bij Hotel Nap en later kon ik samen met diezelfde vriendin woonruimte huren in Landerum. Nu woon ik nog steeds in Landerum, wel op een andere plek. Ik kon lopend verhuizen.


‘Wat voor opleiding heb je gedaan?’

Ik heb scenografie gestudeerd aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Als scenograaf ontwerp je het decor en de kostuums voor theater, je creëert eigenlijk het hele toneelbeeld. Je leert belichten, tentoonstellingen vormgeven en alles wat daarbij komt kijken.

‘Dus helemaal op je plek in het museum. Maar je schildert toch ook?’

Ja, dat klopt. Naast mijn werk bij het museum ben ik ook vormgever. Ik heb mijn eigen bedrijfje en schilder vooral. Het liefst landschappen. Ik heb van mijn hobby mijn werk gemaakt. En dat is een hele leuke combinatie met het werk in het museum! Ook daar kan ik me met schilderen en ontwerpen bezighouden naast mijn andere taken.

‘Je werkt nu 1 jaar in het museum?’

Ja, eerst als ZZP-er, om het personeelstekort op te vangen. In dezelfde tijd kwam er een vacature voor een vaste medewerker. Ik hoefde niet lang te twijfelen om te solliciteren. Heel tof om me bij het vaste team te mogen voegen!

‘Wat doe je precies voor werk?’

Ik ben op het ogenblik druk met het opzetten van ‘Erfgoed Terschelling’. Een digitale plek waar we in de toekomst alle archieven van Terschelling kunnen onderbrengen en bezoeken. Het is vooral gericht op het toegankelijker maken van het erfgoed en daarnaast zorgen dat we alles goed conserveren en toekomstbestendig maken. Uiteindelijk creëren we 1 zoekmachine voor het hele eilandarchief. Een groot en uitdagend maar vooral ontzettend leuk project. Daarnaast houd ik me bezig met het gebouwenbeheer, het ontwikkelen van nieuwe tentoonstellingen, het beheer van het foto en filmarchief en nog wat andere zaken. We doen van alles hier en dat maakt het zo leuk!

‘Je bent hier helemaal op je plek hè?’

Ja, het is fijn om hier te werken. Niet alleen het werk op zich, maar ook de samenwerking met het team. We zijn allemaal heel verschillend, maar mede daardoor is het zo’n inspirerende werkplek. Iedereen is een schakeltje en samen kunnen we veel voor elkaar krijgen. Ik leer nog elke dag veel bij, van mijn collega’s maar ook van de vrijwilligers en iedereen die betrokken is bij het museum.

‘Dan twee vragen die ik aan alle medewerkers ga stellen. De eerste: wat is je favoriete plek in het museum?’

Dat is het objecten- en schilderijendepot. Toen ik het voor het eerst zag ben ik gelijk verliefd op die plek geworden! Op die zolder liggen zo veel geheimen verstopt. Ik ben gek op tradities en oude cultuur. Ik vind het belangrijk dat dat goed bewaard blijft. Als kind wilde ik archeoloog worden. Dat leek me prachtig. Maar hier hoef je alleen de trap maar op te lopen om van alles te vinden.

‘En dan tenslotte, wat is je favoriete voorwerp? Iets van het depot of iets wat tentoongesteld is? Je mag erover nadenken hoor, want je wist niet dat deze vraag zou komen.’
Een paar uur later krijg ik antwoord. Dat het een schilderij zou worden was duidelijk. Maar welke? (Een foto van het betreffende schilderij staat in de eerste reactie onder dit bericht.)

‘Na heel veel wikken en wegen heb ik een schilderij van Jan Jans uitgekozen als mooiste object. Als ik door het museum loop blijf ik nog altijd nieuwe dingen ontdekken. Maar van een aantal stukken ben ik echt gaan houden. Het is fijn om ze elke dag even te begroeten en steeds weer nieuwe details te zien. In het tafereel, in een klein detail van het houtsnijwerk of in de lagen verf die gebarsten zijn door de jaren heen. Zit ik zelf tijdens het schilderen te worstelen, dan kan ik bij grootmeester ‘Van Rappard’ even spieken. Hoe schilderde hij dat? Hoe grof waren zijn penseelstreken?
Maar toch is dit schilderijtje mijn favoriet. De schaduwen die subtiel op de kade vallen en het licht van een warme lentedag. De rust, de eenvoud. Dit is er eentje om bij weg te dromen. En dat is toch het mooie van de schilderkunst. In 1910 maakte Jan Jans dit werk en nu nog kunnen wij genieten van dit uitzicht. Het voelt als een voorrecht om tussen zoveel moois te mogen werken.’


Interview en tekst; Nienke Meijvogel-Blom